werkgroep

Kloostertuinen

Naast kerktuinen zijn er ook Kloostertuinen. Hiermee houdt de werkgroep Kloostertuinen zich bezig. Op deze pagina kunt u meer lezen over kloostertuinen en de werkgroep

Werkgroep Kloostertuinen opgericht

De laatste tientallen jaren zijn veel kloosters in Nederland opgeheven. Met het verdwijnen van de kloosters zijn ook veel van de bijbehorende tuinen verdwenen of hebben ingrijpende veranderingen ondergaan. Veel voormalige kloostertuinen hebben plaats gemaakt voor woningbouw, vestiging van kantoren en bedrijven, parkeerterreinen of infrastructurele voorzieningen. Door leegstand van kloosters of delen van kloosters raken deze gebouwen vaak in verval en lopen ze gevaar voor brandstichting en vernieling. Daarbij komen ook de tuinen onder zware druk en verliezen zij hun specifieke, soms onvervangbare waarden. In veel gevallen zijn de contouren van de oude tuinaanleg nog wel aanwezig maar is, mede door functieverandering van het bijbehorende kloostergebouw, nog maar weinig van de oorspronkelijke tuinen te herkennen. Nieuwe gebruikers en bewoners worstelen met de vraag hoe de tuin moet worden onderhouden of heringericht.

Er resteert, voor zover bekend, momenteel nog slechts een beperkt aantal gave kloostertuinen, die als representatieve voorbeelden van dit tuintype in Nederland kunnen worden beschouwd Relatief intact gebleven en goed onderhouden kloostertuinen zijn, zelfs in de provincies Noord-Brabant en Limburg, zeldzaam geworden. Een goed overzicht van de nog aanwezige kloostertuinen, hun kenmerken en tuinhistorische waarden ontbreekt. Een dergelijk overzicht is nodig als referentiekader voor de waardebepaling van de afzonderlijke tuinen. Kennis over de kwaliteit is slechts fragmentarisch beschikbaar. Het beeld is nog allesbehalve compleet.
Bij iedere kloostertuin is de vraag aan de orde, hoe de tuin als geheel en per onderdeel gewaardeerd kan worden. Wat zijn de meest karakteristieke kenmerken en wat is de tuinhistorische, ecologische en/of landschappelijke waarde? Wat is de betekenis van deze tuin in vergelijking met andere kloostertuinen in Nederland?
Deze problematiek was de aanleiding tot de oprichting van de Werkgroep Kloostertuinen. In de loop van de zomer 2000 werden hiertoe contacten gelegd met een groot aantal personen en instellingen, die op een of andere manier bij dit onderwerp betrokken zijn. De oprichtingsbijeenkomst van de Werkgroep Kloostertuinen vond plaats op 15 september 2000 in Ede.

Richtinggevend voor de activiteiten van de werkgroep is de gemeenschappelijke zorg voor de instandhouding van de nog resterende kloostertuinen. Tegen deze achtergrond stelt de werkgroep zich ten doel de kennis over kloostertuinen te vergroten, de belangstelling voor deze specifieke categorie tuinen te bevorderen en het draagvlak te verbreden. Door een gestructureerde aanpak en systematische inventarisatie zal worden getracht een zo volledig mogelijk overzicht te krijgen van de in Nederland nog aanwezige historische kloostertuinen en hun karakteristieke kenmerken. Aan de hand van deze gegevens kunnen de tuinen worden beschreven en kan hun betekenis worden aangeduid en onderbouwd. Daarmee beoogt de werkgroep tevens een bijdrage te leveren aan plannen voor herstel en herinrichting van de tuinen, die daarvoor in aanmerking komen. Inmiddels is al een begin gemaakt met het verzamelen van documentatie van zo veel mogelijk objecten en met de opbouw van een databestand. Ook worden enkele publicaties voorbereid.

Wat is een kloostertuin?

De werkgroep heeft het begrip ‘Kloostertuin (voorlopig) als volgt gedefinieerd: Het nabij een klooster gelegen, ruimtelijk begrensd terrein in gebruik voor religieuze, recreatieve, esthetische en economische doeleinden, inclusief de hierbij behorende structuren, gebouwen en objecten ”.
Hierbij kan allereerst worden opgemerkt dat het volgens deze definitie nadrukkelijk gaat om het nabij het klooster gelegen terrein. De directe relatie met het kloostergebouw is voor de kloostertuin van essentieel belang. Bij veel oude kloosters is de tuin of een deel van de tuin geheel door de gebouwen omgeven en vormt de omsloten kloosterhof het centrum van het kloosterleven. Sommige kloostergemeenschappen bezaten ook recreatie- of vertiertuinen op enige afstand van het klooster. Deze tuinen hadden in het verleden een belangrijke recreatieve functie voor de leden van de communiteit en hun studenten. Voorbeelden hiervan zijn het St. Odapark te Venray en Tusculum (De Bol) bij Culemborg. Dergelijke verder weg gelegen tuinen worden dus niet als ‘kloostertuin’ opgevat.
De kloostertuin betreft een ruimtelijk begrensd terrein. De ruimtelijke begrenzing is een wezenlijk kenmerk van een tuin. Bij kloostertuinen wordt het omsloten karakter veelal bepaald door hoge muren, hagen of hekwerken. De term terrein moet in dit verband ruim worden opgevat en houdt in dat ook waterpartijen (vijvers, waterlopen, grachten etc.) tot de kloostertuin kunnen behoren.
Veel kloostergemeenschappen waren in sterke mate ‘self-supporting’. De tuin was vooral in gebruik voor de teelt van gewassen en producten voor het eigen levensonderhoud, zoals groenten en fruit. Er werden dieren gehouden voor de productie van vlees, zuivel en eieren. Diverse andere bedrijvigheden en ambachten zoals het kweken van vis, het telen van bijen voor de honing, het brouwen van bier en het wassen van kleding, werden op het eigen terrein uitgeoefend. Tegelijkertijd heeft de kloostertuin van oudsher een belangrijke functie als ruimte voor gebed, bezinning en recreatie. De tuin was vaak ook van betekenis voor de gezondheidszorg (pesthuisjes, medicinale kruiden) en diende mede als laatste rustplaats voor de leden van de communiteit.

Beschrijving en typering

Gegeven deze definitie is een kloostertuin te beschrijven aan de hand van een aantal gegevens, zijn onderdelen en kenmerken. Tot de algemene gegevens behoren onder meer de ligging, oppervlakte en planologische bestemming. In zijn meest eenvoudige vorm is de kloostertuin soms niet meer dan een door kloostermuren omsloten ruimte met in het midden een waterput. Een grotere tuin kan bestaan uit verschillende onderdelen zoals een moestuin, boomgaard, vijver, grasveld/gazon en een gedeelte met bloemen en sierplanten. Vaak zijn er dierenverblijven zoals stallen, hokken of een volière. Een kruisweg, grotten, kruis- en heiligenbeelden, bidkapelletjes en andere devotieplaatsen treffen we ook veelvuldig aan. Evenals de tuinen bij kastelen en buitenplaatsen bevatten kloostertuinen vaak een uitzichtpunt, theekoepel, loofgang, prieel, leibomen en andere snoeivormen. Ook kunnen allerlei voorzieningen voor sport en recreatie worden aangetroffen. De begraafplaats is meestal een min of meer terzijde gelegen, afzonderlijk omgrensd gedeelte.
De kloostertuin kan verder worden gekarakteriseerd aan de hand van zijn tuinhistorische, landschappelijke en ecologische kenmerken. Hierbij wordt onder meer gedacht aan de ontstaansgeschiedenis, bodem en waterhuishouding, padenpatroon, ruimtelijke structuur, bomen en struiken, flora en fauna, stijl van aanleg en de wijze van omgrenzing.

Afbakening onderwerp en samenstelling werkgroep

Om tot een concrete aanpak te kunnen komen, was het gewenst het aandachtsgebied in ruimte en tijd nader af te bakenen. De werkgroep zal haar aandacht daarom in eerste instantie richten op kloostertuinen in Nederland. Het accent zal daarbij liggen op historische tuinen d.w.z. tuinen bij kloosters ouder dan ca. 50 jaar. Jongere tuinen, processieparken en andere religieuze parken en begraafplaatsen worden in voorkomende gevallen wel meegenomen. In een later stadium zal worden bekeken op welke wijze zij bij de verdere uitwerking zullen worden betrokken. Het is vooralsnog de bedoeling om, na een eerste algemene inventarisatie, in te zoemen op een kleine, nader te selecteren groep kloostertuinen. Daarbij wordt gedacht aan tuinen van kloosters waarover al relatief veel kennis beschikbaar is.

De Werkgroep Kloostertuinen opereert zelfstandig maar werkt nauw samen met diverse grote landelijke organisaties op het gebied van tuinhistorie, tuin- en landschapsarchitectuur en monumentenzorg. De werkgroep was per 1 juni 2001 samengesteld uit de hieronder vermelde personen. Men is lid op persoonlijke titel. Tussen haakjes staat vermeld bij welke organisatie of instelling de leden werkzaam zijn of vanuit welke achtergrond zij bij de werkgroep zijn betrokken.

Drs Tini Brugge, biologe, auteur over tuinen, planten en geloof; (projectgroep Kerk en Milieu, Raad van kerken)
Drs Jan van ’t Hof, kunsthistoricus; (Rijksdienst voor de Monumentenzorg; verbindingspersoon tussen de werkgroep en de RDMZ)
Marga Jansen, (coördinatrice van de Artsenijhof van het Museum voor Religieuze Kunst te Uden)
Drs Wim Meulenkamp, kunsthistoricus; (Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland)
Drs Carla Oldenburger-Ebbers, biologe; (voorzitter van het Tuinhistorisch Genootschap “Cascade”)
Juliet Oldenburger, kunsthistorica; (bureau Oldenburgers Historische Tuinen)
Dr Ineke Pey, kunsthistorica; (Vrije Universiteit Amsterdam)
Drs Willem ten Veen, fysisch-geograaf; (Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem)
Ir Naud Wijnhoven, tuin- en landschapsarchitect bnt; (Tuinarchitectenbureau Wijnhoven)

De werkgroep houdt zich graag aanbevolen voor alle mogelijke informatie over kloostertuinen en andere gegevens die haar kunnen helpen bij de realisering van haar doelstellingen. Men kan hiervoor contact opnemen met onderstaand adres:
Werkgroep Kloostertuinen
p/a Merellaan 43
6713 BG Ede
Tel. 0318.617480/615787
Fax 0318.614432
Klik hier om een e-mailbericht te versturen door middel van de contactpagina.

Naud Wijnhoven